Het recht geraadpleegd te worden, het recht te waarschuwen…
maandag 12 april 2010
En het recht aan te moedigen. Dat waren de drie rechten die volgens de negentiende eeuwse Britse journalist nog toekwamen aan een moderne constitutionele monarch, die misschien wel nog mocht heersen, maar niet mocht regeren. Wie de recente heisa omtrent de informele contacten tussen gemeentebesturen in Vlaams-Brabant en projectontwikkelaars wat volgt, krijgt de indruk dat aan democratisch verkozen lokale besturen niet langer wordt toegestaan wat een evidentie is voor erfelijke staatshoofden…
Sterker nog, wat wezenlijk een maatregel van gezond beleid is, wordt meteen in de sfeer van het juridische getrokken. Er zou geen rechtsgrond bestaan voor dergelijke informele contacten, dus zouden ze onwettig zijn. Toegegeven, we wisten dat de juridisering van onze samenleving ver was doorgedrongen – maar schiet ze nu niet een beetje door ?
Om die vraag zinvol te beantwoorden, moeten we in eerste instantie nagaan wat dergelijke informele contacten wel en niet kunnen inhouden. In alle duidelijkheid: geen enkele macht ter wereld, en zeker geen gemeentebestuur, kan een eigenaar verbieden zijn grond of woning te verkopen aan wie hij wil, behalve als er een rechtsgrond is om dat te verbieden. Zo’n rechtsgrond kan te vinden zijn in een of ander voorkooprecht of in het decreet grond- en pandenbeleid, maar dat is hier niet aan de orde. Wel moet het ons van het hart dat uiteindelijk een decreet als grond- en pandenbeleid (ook bekend als “wonen in eigen streek”), tien keer zwaarder weegt dan informeel overleg tussen een gemeentebestuur en een verkavelaar.
Als zo’n rechtsgrond ontbreekt, kan de gemeente geen bindende beslissingen nemen. Ze kan wel laten merken dat ze bepaalde oplossingen maatschappelijk wenselijker vindt dan andere – en dat gebeurt ook. Vergelijk het met het goedkeuren van een resolutie door een gemeenteraad of een parlement. Strikt genomen heeft de gemeenteraad van Brussel geen enkele bevoegdheid om zich solidair te verklaren met het Tibetaanse volk, en is het Vlaams Parlement volkomen onbevoegd om zich uit te spreken over zijn visie op de verdere evolutie van de staatsstructuur. Door hierover uitspraak te doen in het kader van een instrument dat geen enkel rechtsgevolg heeft, kan er toch worden duidelijk gemaakt wat de gemeenteraad of het parlement wenselijk vindt.
Bij de informele contacten met promotoren is dat niet anders. Zonder ter zake een formele bevoegdheid te hebben, kan een gemeentebestuur toch voorkeuren laten kennen, zij het dat deze niet afdwingbaar zijn. Dat lijkt ons niet meer dan correct voor een gemeentebestuur, dat niet alleen een fabriek van juridische documenten, maar ook een politiek bestuur is.
In die zin loopt de redenering van een aantal rechtsprofessoren, als zou een Vlaams decreet dat dergelijke informele contacten zou verankeren, vatbaar zijn voor vernietiging door het Grondwettelijk Hof, ook mank. Niet alleen vertoont de regeling, zoals hierboven al aangetoond, meer gelijkenis met een resolutie dan met een decreet, en resoluties kan het Grondwettelijk Hof niet eens vernietigen, net omdat ze geen afdwingbare gevolgen hebben. Daarenboven hangt alles ervan af hoe zo’n decreet eruit zou zien. Als het inderdaad enkel oplegt dat verkavelaars met het gemeentebestuur van gedachten zouden wisselen over de maatschappelijk wenselijke samenstelling van de bevolking van een nieuwe verkaveling, zonder dat dit tot enig vetorecht leidt, dan maken we ons sterk dat het Grondwettelijk Hof met zo’n decreet hetzelfde zou doen als met de Vlaamse Wooncode: het ongemoeid laten.
Mensen die een wantrouwige aard hebben – en soms is dat niet eens ongezond – zullen allicht zeggen dat een gemeentebestuur misschien niet direct gevolgen kan verbinden aan informele afspraken, maar wel indirect. In mensentaal: een verkavelaar die verkoopt aan kopers die volgens het gemeentebestuur niet geneigd zijn zich in de gemeente te integreren, zal een volgende keer weinig kans maken om zijn project goedgekeurd te zien. Wie zo redeneert, vergeet echter dat het gemeentebestuur enkel in eerste instantie oordeelt over verkavelingsvergunningen, en onmogelijk een weigering kan baseren op het niet naleven van informele engagementen. Zo’n weigering zou kennelijk onwettig zijn, en zonder enige twijfel worden afgestraft wanneer de verkavelaar beroep aantekent bij een hogere instantie. Of anders gezegd: zelfs als een gemeente op onwettige wijze gevolgen zou willen verbinden aan informele afspraken, dan zou ze dat niet eens kunnen.
Ook het bezwaar als zou de werkwijze van de Brabantse gemeenten strijdig zijn met de privacywetgeving houdt geen steek. Er wordt immers niet over identiteit van mensen gesproken, er wordt met de verkavelaars overlegd over profielen en niet over concrete mensen geoordeeld.
Het is trouwens een beetje ironisch dat in een tijd waarin de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen een algemeen aanvaard begrip geworden is, de maatschappelijke verantwoordelijkheid van verkavelaars, projectontwikkelaars en promotoren blijkbaar taboe is. Wie in een gemeente bijkomende woongelegenheden schept, speelt een belangrijke en positieve rol in het leven van die gemeente, maar moet er ook rekening mee houden dat een plotse en massale instroom van nieuwe bewoners, die niet noodzakelijk geneigd zijn zich in te passen in het leven van een gemeente, voor moeilijkheden kan zorgen.
Het is de taak van een gemeentebestuur dergelijke moeilijkheden waar mogelijk te vermijden, minstens in goede banen te leiden. Niet door “woonverboden” in te stellen, wel door te waarschuwen dat bepaalde evoluties misschien niet zo positief zijn. En het gemeentebestuur doet dat bij voorkeur vooraf, zodat er nog kan worden bijgestuurd. De verantwoordelijkheid of al dan niet bijgestuurd kan worden, ligt dan bij de verkavelaar. Als er potten worden gebroken, is het aan het gemeentebestuur om die achteraf te lijmen. Kan men ze dan kwalijk nemen dat een gemeentebestuur liever voorkomt dan te genezen ?
Zeker, elke gemeente heeft zowat een eigen werkwijze in deze sfeer. Sommige gemeentebesturen in onze streek vinden het niet wenselijk om informele contacten van deze soort te onderhouden. Dat is hun goed recht, uiteindelijk kennen zij de situatie in de eigen gemeente het best. Maar zou het geen goede zaak zijn dat we onder Vlamingen ophouden met de neiging om de eigen werkwijze als alleenzaligmakend te beschouwen ? Zeker als die neiging sterk doet denken aan een poging om de aandacht af te leiden van de eigen bedenksels. De manier waarop voormalig minister Keulen “zijn” Wooncode voorstelt als de enige manier om taalvoorwaarden inzake wonen in te stellen, heeft daarbij iets tegenstrijdigs – zeker als dat moet leiden tot aanvallen op besturen die dergelijke voorwaarden niet eens opleggen.
Geschreven door Michel op maandag 12 april 2010 - Reageer (0)

